articles
buy sex toys online
book store
book storebuy sex toysmen sex toys
 
 
 
Religie  
0 reacties
Heiligen der vreugde
Kerim Balci 2007-09-19


     Door Kerim Balci


     In dit artikel wordt ingegaan op drie heiligen der vreugde uit de Abrahamitische tradities. Naast Mewlana Djalaleddin Roemi [1207-1273] waren ook Rabbi Nahman van Breslau [1772-1810] uit de joodse traditie en Franciscus van Assisi [1182-1226] uit de christelijke traditie mensen die in soms zeer moeilijke omstandigheden vasthielden aan de innerlijke vrede die hen bezielde. In hen kwam de figuur van de heilige rechtvaardige (tzaddîk) of vriend van God (walî) tot leven. Deze voorlopers van vrede genoten van het leven en bestreden de wanhoop onder andere middels het vertellen van verhalen, wat een belangrijk middel kan zijn om mensen mee te nemen op de weg naar ware en duurzame vrede. Unesco riep 2007 uit tot het jaar van Mewlana Djalaleddin Roemi .
 


     Inleiding

     Vredeshelden zijn niet slechts helden waar het gaat om het vreedzaam samenleven van volkeren en menselijke organisaties in de wereld. Ze zijn ook de helden van innerlijke vrede. De vrede die zij belichamen is niet noodzakelijkerwijs een vrede tussen twee natuurlijke vijanden, maar een vredig naast elkaar bestaan van mens en natuur; van de mens en God; van de mens en het lot, of dit nu goed of slecht is. Deze vrede wordt verwoord in het Turkse Soefi gezegde: ’Lütfen da hoş, kahrιn da hoş’, wat wil zeggen ‘Wij verwelkomen alles wat van God komt, of het nu zijn genade of woede betreft’. De ‘heiligen der vreugde’, zoals ik ze noem, zijn de helden van deze vrede, een onwankelbare acceptatie van alles wat van God komt.

     De linguïstische verwantschap van de Arabische woorden ‘salaam’ (vrede) en ‘silm’ (onderwerping aan de wil van God) weerspiegelt de denkwijze der Bedoeïenen, waar de Arabische taal uit is ontstaan en volgens welke alle gemakken in dit leven voortkomen uit het aanpassen aan de natuur.

     De drie heiligen die ik gekozen heb, komen uit drie verschillende, doch verwante, van Abraham afstammende religieuze tradities; een christen, een moslim en een jood. De vrede met zichzelf, hun lot, anderen, de natuur en God is niet het enige dat deze opvallende persoonlijkheden met elkaar gemeen hebben. Deze heiligen der vreugde leefden allen in overgangsperioden in de geschiedenis, waarin de samenlevingen waar zij deel van uit maakten onder grote sociale en politieke druk stonden, en vormden een bron van vreugde en hoop voor hun leerlingen en de mensheid.


     Sint Franciscus van Assisi


    

     Sint Franciscus van Assisi, grondlegger van de Katholieke Franciscaanse Orde, was in zijn jonge jaren een man van wapens en avontuur. Hij deed mee aan een aantal interstedelijke gevechten en ging pas na een ernstige ziekte tijdens een van zijn gevangenschappen, op zoek naar de eeuwige vrede. De verandering, waar deze zoektocht toe leidde, wordt het best weergegeven in het antwoord dat hij zijn vrienden gaf op de vraag of hij er over dacht te gaan trouwen. “Ja”, antwoordde hij, “ik sta op het punt een vrouw van onmetelijke schoonheid te huwen.” Deze vrouw was niemand minder dan Vrouwe Armoede. Franciscus deed afstand van alle rijkdom die hij via zijn vader verworven had en begon het volledig opgeven van alle wereldse goederen, eer en privileges te prediken. De leer en levensstijl van Franciscus trok mensen aan en hij stichtte de Franciscaanse orde als een orde om vreugde en berouw te prediken.

     Zijn volgelingen trokken er twee aan twee op uit en noemden zich al dansend en zingend de minstrelen van de Heer. De heilige Franciscus brandde van verlangen om de moslims tot het christendom te bekeren, maar elke keer dat hij op weg wilde naar de landen van de islam, weerhield het lot hem hiervan. Zijn laatste poging lukte en samen met een dozijn volgelingen nam hij deel aan de belegering en inname van Damietta. Vanuit Damietta wist hij de Arabische landen te passeren en ontmoette hij Sultan Kamil van de Ayyubiden. Zijn gesprekken met de Sultan lijken de Franciscanen een voet aan de grond in Jeruzalem te hebben verzekerd. Het feit dat behalve de Franciscanen, alle Kruisridders gedwongen werden Jeruzalem te verlaten, heeft verscheidene legendes doen ontstaan. De meest wijdverspreide legende gaat over een droom van de heilige Franciscus, in de nacht voor de belegering van Jeruzalem. In deze droom vraagt Jezus Franciscus om niet deel te nemen aan de belegering en vriendschappelijke relaties met de Arabieren aan te gaan, om zo, zelfs na de voorziene nederlaag van de Kruisridders, in het Heilige Land te kunnen blijven. Dankzij deze legende wordt Sint Franciscus door de moslims als een man van de dialoog beschouwd.

     Franciscus had een grote voorliefde voor de natuur. Zelfs zodanig dat hij met de wilde bloemen, de heldere bron en het vriendelijke vuur sprak en de zon groette wanneer deze opkwam. Deze liefde is de bron geweest van zijn gewoonte om zijn broederschap met alles dat leeft en niet leeft te verkondigen.

     Deze liefde en broederschap omvatten ook niet-christenen. Zo zien we dat Franciscus zijn broeders aanmoedigde om ‘spiritueel’ tussen de moslims ‘te leven’ door niet deel te nemen aan ‘discussies of twistgesprekken’, maar zich ‘in naam van God aan ieder menselijk wezen’ te onderwerpen en het woord van God alleen te verkondigen wanneer ‘zij zagen dat het de Heer behaagde.’ Zijn beroemde gedicht, Lofzang op Broeder Zon, is een lyrische uitdrukking van zijn uitzinnige liefde en broederschap:

Geprezen zijt Gij, mijn Heer, met al Uw schepselen, vooral heer broeder Zon, die de dag is waarmee U ons licht geeft. Prachtig als hij is, straalt hij met grote luister, U, o Hoogste, het meest gelijk.


Mewlana Djalaleddin Roemi

    

     Mewlana Djalaleddin Roemi is de grondlegger van de Mevlevi Soefi Orde. Deze is bekend van de karakteristieke ‘Sema’ dans en de wervelende ‘derwisjen’, waarvan Roemi de inspirator was en welke in de vijftiende eeuw hun huidige vorm kregen. Het ritueel van het ronddraaien van derwisjen, die semazens werden genoemd, heeft een spirituele reis naar God tot doel om volmaakte mens (insan-i-kamil) te worden. Roemi werd geboren in het huidige Afghanistan en bracht enige tijd in de studiecentra van de Arabische wereld door. Vervolgens verhuisde hij, vanwege zowel de Mongoolse invasie, als de toentertijd wijdverspreide demografische volksverhuizingen richting het Westen, naar Anatoliё. Zijn naam ‘Roemi’ staat voor Anatoliër. Ook verkreeg hij vanwege zijn levenswerk aldaar de titel ‘Mewlana’, wat ‘onze meester’ betekent.

Roemi’s betreden van het spirituele pad valt samen met zijn ietwat onwezenlijke ontmoeting met Sjems-i Tebriz. In Sjems, de menselijke belichaming van Goddelijke Liefde, vond Roemi de innerlijke betekenis van leven en sterven. Deze innerlijke betekenis van het bestaan verwerkte Roemi tot gedichten, waarvan hij verscheidene dichtbundels samenstelde en de Masnavi de bekendste zijn. Hij wordt gezien als een der grootste mystieke dichters van de mensheid.

     De geschiedkundige context van Roemi’s leven is vol van verse herinneringen aan de Kruisridders en Mongoolse invasies. Hoewel beide Anatoliё van vrijwel al zijn weelde hadden beroofd, stroomde dit geplunderde land toch vol met duizenden mensen van over de hele wereld. Konya, de stad van Roemi, was een smeltkroes van moslims, joden, christenen, sabeanen, zoroastrianen, boeddhisten, filosofische sofisten en atheïsten. Angst was het overheersende gevoel op straat. Overleven door individuele inspanning leek de enige mogelijkheid en veranderde Anatoliё in een sociale tijdbom.

Roemi’s antwoord op deze sociale spanningen was de vernietiging van het zelf en het gehele wezen op zich. Hij bood een vervanging voor alle angsten, hoop, liefdes, verlangens en verwachtingen van dit leven met de goddelijke. In deze goddelijke liefde herschiep hij de liefde voor mens en natuur, dit keer met een goddelijk tintje. Als dit mogelijk is, als alle menselijke zwakheden een goddelijk tintje krijgen, dan kunnen zij alle acceptabel worden. Daar de mens van de Meest Geliefde God afgescheiden is, is geen enkele andere afscheiding het overdenken waard; en de vreugde van de vereniging met God in de Sema,  de wervelende dans, overstijgt alle pijn van afscheiding.

     In deze sfeer van afscheiding en vereniging van en met God, vervagen de grenzen van de geïnstitutionaliseerde religies en zegt Roemi op een gegeven moment:


Vertel mij, O Moslims, wat ik moet doen? Ik ken mijzelf niet meer.

Christen, noch Jood, ben ik, Gabar, noch Moslim.

Uit het Oosten, noch uit het Westen, van het land, noch van de zee;

Uit de natuur, noch uit de draaiende hemelen kom ik voort.


Mijn plaats is de Plaatsloze, mijn spoor de Spoorloze;

Lichaam noch ziel is het, daar ik de ziel van de Geliefde toe behoor.

Dualiteit heb ik verworpen, ik heb gezien dat de twee werelden één zijn;

Slechts Eén zoek Ik, Eén ken Ik, Eén zie Ik, Eén roep Ik ....


Deze ‘eenheid’ van de innerlijke boodschappen van alle religies wordt wederom benadrukt in het volgende beeldende verhaal dat Roemi vertelt:


Vier personen kregen een geldstuk.

De eerste was een Pers. Hij zei: “Ik zal er wat angur mee kopen.”

De tweede was een Arabier. Hij zei: “Nee, want ik wil inab.”

De derde was een Turk. Hij zei: “Ik wil geen inab, ik wil üzüm.”

De vierde was een Griek. Hij zei: “Ik wil stafil.”


Daar ze geen van allen de betekenis van de woorden kenden, begonnen de vier te vechten. Zij hadden informatie, maar geen kennis.

Wanneer een wijs man ter plaatse zou zijn geweest, had die hen kunnen verzoenen door te zeggen: “Ik kan de wens van ieder van jullie met een en hetzelfde geldstuk vervullen. Als jullie mij vertrouwen, zal jullie ene munt als vier munten worden; en de vier die met elkaar overhoop liggen, zullen als één verenigd worden.”


Een dergelijk man zou namelijk weten dat elk in zijn eigen taal hetzelfde wilde ... druiven.


Hoewel het volgende beroemde gedicht dat de oproep doet “Kom, kom, wie je ook bent!” niet van Roemi is, heeft hij het veel aangehaald:


Kom kom wie je ook bent,

Al ben je een zwerver, een aanbidder, of vertrek je graag,

De onze is geen karavaan van wanhoop,

Kom, zelfs als je je beloften duizendmaal hebt verbroken,

Kom, kom, kom toch weer.


Door zijn werk en zijn leven toont Roemi ons dat geweld en conflicten niet worden veroorzaakt door geloof, overtuiging en godsdienst, maar door de zonden van het ontremde ego zoals haat en hebberigheid. Hij laat ons zien wat hiervoor de beste remedies zijn en zijn leven en werk zijn vandaag de dag een les voor iedereen dat de zogenaamde ‘botsing der beschavingen’ zeker niet onvermijdelijk is. Hij toont ons hoe we tot hoop, vernieuwing en verzoening kunnen komen, in plaats van wanhoop, angst en vijandigheid door onze verschillen. Hij nodigt ons uit om er voortdurende aan herinnerd te worden dat we één zijn; wij komen van God en tot God zullen wij terugkeren.


     Roemi’s nadruk op liefde en eenheid werd tijdens het laatste deel van zijn leven vervangen door vreugde en dansen. Terwijl Roemi bij Sjems-i Tebriz afscheiding ervaarde, vond Roemi eenheid en de vreugde die daarmee gepaard gaat bij Salahuddib Zarkub. Het verhaal gaat dat Zarkub een goudsmid in Konya was en Mewlana niet met dansen kon stoppen toen hij het ritmische slaan van diens hamer hoorde. In deze dans, symbool van bemiddeling tussen God en de mens, in de islam zowel symbool van standvastigheid als van openstaan voor alle andere geloven, een symbool van zuiverheid en eenwording met de gehele schepping, zocht Roemi de ene verlorene, de ware Sjems. De vreugde van eenwording met de verlorene kan alleen met Roemi’s eigen woorden beschreven worden:

Een moment van gelukzaligheid,

jij en ik, zittend op de veranda,

ogenschijnlijk twee, maar in ziel één, jij en ik.

We voelen het stromende water van leven hier,

jij en ik, in de schoonheid van de tuin

en de zingende vogels.

De sterren zullen naar ons kijken

en we zullen ze laten zien

wat het is om een beginnende wassende maan te zijn.

Jij en ik van ons zelf ontdaan, zullen samen zijn,

onverschillig voor ijdele beschouwing, jij en ik.

De papegaaien uit de hemel zullen mooie woorden spreken

als wij samen lachen, jij en ik.

Eén vorm op deze aarde,

en een andere vorm in een tijdloos zoet land.


     Rabbi Nahman van Breslau

    

     Als achterkleinzoon van Baal Shem Tov, was Rabbi Nahman van Breslau (Bratslav) een van de meest beroemde eerste Chassidische meesters van gebed en een van de grootste Chassidische verhalenvertellers. Zijn nadruk op liefde en vreugde was zo voortreffelijk dat sommigen beweerden dat de naam Breslau van het Hebreeuwse ‘bris lev’, verbond van het hart, afkomstig was. De nadruk van Rabbi Nahman op een leven van vreugde en geluk is alom bekend. Rabbi Nahman werd gezegd zo gelukkig als een grote mitzvah te zijn.

     Hoewel het voor Nahman als de kleinzoon van de grondlegger van het Chassidisme, vrijwel onvermijdelijk was een Zaddik (charismatische spirituele leider) te worden, bleek zijn pelgrimstocht naar het Heilige Land tijdens de oorlogen van Napoleon later zijn vuurdoop en het beginpunt van de weg naar God te zijn. Terwijl hij met een zeer vast geloof de zaddik van zijn generatie te worden, naar de Oekraїene terugkeerde, wist Nahman vaste voet aan de grond te krijgen in Breslau. De blauwdruk van zijn Chassidisme is ‘hitbodedut’, (let. eenzaamheid/afzondering), waarbij men, vergezeld van dans en muziek, in afzondering zijn hart in gebed tot God uitstort. Hoewel hij zelf een Messiaanse dromer was en vele zelfkwellende en Oekraïense pogroms de joodse gemeenschap overspoelden, probeerde Nahman voor zijn volgelingen een symbool van geloof, hoop en een vreugdevol leven te zijn. De Chassidische verhalen die hij vertelde en die bijna beroemder zijn dan zijn eigen naam, hebben zowel literaire als mystieke waarde. De joodse gemeenschap van zijn tijd was verdeeld in twee kampen; die van de joodse conservatieven en die van de ‘maskilim’ (de joden die met het verlichte christelijke westen wilden integreren). Rabbi Nahman verhuisde naar Uman, waar hij stierf en werd begraven, om de zielen van sommige maskilim te redden. Tegelijkertijd ontwikkelde hij een hechte vriendschap met enkele leiders van de joodse verlichting, wat in Chassidische kringen tot de nodige spanning leidde.

     Om in de eenheid van God ingelijfd te worden, streefde Rabbi Nahman de volledige vernietiging van het zelf na. En vernietiging, zo geloofde hij, was alleen mogelijk door afzondering. Derhalve moedigde hij het aan om ‘s nachts te bidden, zodat men, in totale afzondering, in elke gewenste taal tot God kan spreken. Voor Nahman moest bidden een soort conversatie met God zijn, niet een meditatie op Hem.

     Hoewel hij een voorstander was van de vernietiging van het zelf voor God, geloofde Rabbi Nahman in de kracht van de mens en adviseerde hij zijn leerlingen in zichzelf te geloven. “Er is geen enkele reden in de wereld om ooit op te geven!”, placht hij te zeggen of voegde daar zijn beroemde les: “De wereld is een smalle brug, en het belangrijkste is om vooral niet bang te zijn,” aan toe.

     Nahman’s optimisme over het leven was gebaseerd op een vast geloof dat ’de Meester van het Universum Zijn wereld constant verbetert.’ Hij verkondigde dat het vermogen om te vergeten ons gegeven was zodat we onze zonden zouden kunnen vergeten en opnieuw zouden kunnen beginnen om God met vreugde te dienen. Deze vreugde moest duidelijk zichtbaar zijn en Nahman zag dansen als de beste manier om die vreugde uit te drukken. In dansen zag hij een soort niet-verordende mitzvah, religieus ritueel. Voor Nahman ging dansen verder dan het louter opwekken van vreugde en bezat het een goddelijke, haast magische kracht. Het kon een tegenhanger van het kwaad in de wereld zijn en de daden van het Russische regime en de maskilim (geseculariseerde, ‘verlichte’ joden) tegenwerken. Zijn leringen van vreugde gingen zo ver dat Nahman beweerde dat ’als mensen ook maar naar één van zijn leringen met de juiste melodie en dans geluisterd hadden, zelfs de dieren in de  velden en het gras onder deze veel te krachtige vreugde zouden bezwijken.’

     Rabbi Nahman vond deze allesomvattende vreugde door naar de schepping te kijken. Het volgende verhaal is een mooi voorbeeld van zijn ijver om de schepping te aanschouwen en door die schepping tot de Schepper te spreken:

Rabbi Nahman van Breslau, staarde uit zijn raam dat op de markt uitkeek en zag een van zijn volgelingen, een man genaamd Haikel, de straat uit snellen. Hij riep hem en nodigde hem uit boven te komen. “Haikel”, zei hij, “heb je vanochtend de lucht gezien?”

“Nee, Rabbi.”

“En de straat, Haikel, heb je vanochtend de straat gezien?”

“Ja, Rabbi.”

“En nu, zie je hem nog steeds?”

“Ja, Rabbi, ik zie hem.”

“Vertel me wat je ziet.”

“Ik zie mensen. Paarden. Wagens.

Druk gebarende kooplieden, uitbundige boeren, mannen en vrouwen die komen en gaan. Dat is wat ik zie.”

“Haikel, Haikel,” zei Rabbi Nahman, terwijl hij zijn hoofd schudde. “In vijftig jaar, in twee maal vijftig jaar, zullen er op precies dit punt, een straat als deze en een andere markt als deze zijn. Andere voertuigen zullen andere kooplieden brengen om te kopen en verkopen, maar ik zal er niet meer zijn en jij ook niet. Dus vraag ik je, Haikel, wat is het nut van rennen, wanneer je niet eens tijd hebt om naar de lucht te kijken?”

Waarom hebben we geen tijd om naar de lucht te kijken?


     Tot slot

     Alledrie de vreugde-heiligen waren tevens heiligen van vrede en rust. Om uit te leggen wat zij onder vrede verstonden, zou een lang betoog nodig zijn. Eenvoudige citaten van hun gebeden voor vrede zijn echter voldoende om hun verlangen naar vrede in de wereld en onder de mensen aan te tonen.

     De drie “heiligen der vreugde” kenmerken zich door een houding van vreugde temidden van de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeerden. In de gedichten en verhalen van Franciscus van Assisi, Djalaleddin Roemi en Nahman van Breslau komt deze vreugde om het bestaan naar voren als een kracht die het mogelijk maakt om vol te houden en zelfs te menen dat de wereld iedere dag beter kan worden als de mensen kunnen samenwerken. Daartoe is noodzakelijk dat wij ons egoïsme overstijgen – het zelf vernietigen, zoals Roemi zegt. Niet blijven staan bij wat gebeurd is en bij wat mis ging, maar telkens geloven dat het beter kan gaan. Daartoe is wel een innerlijke vrede nodig die dieper gaat dan het bestaan van alledag.

De leer van vrede en tolerantie van deze drie heiligen der vreugde heeft mannen en vrouwen van allerlei groeperingen en geloofsrichtingen aangesproken en nog steeds trekt hun leer volgelingen aan uit alle delen van de wereld. Als spirituele gids, meester en mysticus pleiten zij in hun leer voor tolerantie, rede, goedheid, liefdadigheid en bewustzijn door liefde en voor het kijken naar moslims, joden, christenen en andere met dezelfde blik. We observeren dat hun boodschap van liefde, vrede en vriendschap in deze tijd in de harten van veel mensen weerklinkt.

     Kortom, heroïsche daden voor de vrede der mensheid worden vaak gezien als daden tegen het kwaad, tegen oorlog en strijd die vanuit het zelf voortkomt. Heiligen der vreugde zijn het type helden die vochten tegen het vechten en die met het zelf streden. Zij leerden ons dezelfde werkelijkheid met andere ogen te zien. Wanneer de werkelijkheid eenmaal ondraaglijk wordt en verandering onmogelijk lijkt, rijst de behoefte aan heiligen der vreugde.

 
  Beoordeel artikel Reageer op artikel