articles
buy sex toys online
book store
book storebuy sex toysmen sex toys
 
 
 
Overige  
0 reacties
Het recht op anders-zijn en wereldburgerschap
mr. dr. Th. Storimans 2007-09-19

Hieronder wordt uiteengezet wat het recht op anders-zijn is en wat dit met wereldburgerschap te maken heeft.


Het recht op anders-zijn is, simpel gezegd, het recht om anders te mogen zijn dan anderen. Dit recht heeft de status van een grondrecht. Grondrechten zijn rechten die samenhangen met de menselijke waardigheid en die elke overheid aan haar burgers behoort te garanderen. De staalkaart van de grondrechten is de Universele verklaring van de rechten van de mens. Dit is een document dat in op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd vastgesteld en dat model heeft gestaan voor belangrijke internationale verdragen, zoals het verdrag inzake de rechten van het kind en het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het recht op anders-zijn staat niet letterlijk opgenomen in de Universele verklaring en evenmin in de genoemde verdragen, maar is veeleer een samenvatting van de beginselen die ten grondslag liggen aan de daarin wel opgenomen vrijheden en rechten, zoals de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, het recht op onderwijs, het minderhedenrecht en niet in de laatste plaats het recht op gelijke behandeling en het verbod op discriminatie.


Het recht om anders te mogen zijn dan anderen is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Afwijkend gedrag en afwijkende opvattingen worden in het algemeen niet gewaardeerd. Dat komt omdat afwijking van de norm zich niet lijkt te verdragen met het streven naar homogeniteit. Uitgangspunt daarbij is dat van een stabiele samenleving pas sprake zou zijn als iedereen zich hetzelfde gedraagt en er dezelfde opvattingen op na houdt. Vandaar dat bijna altijd en bijna overal op individuen druk wordt uitgeoefend om in gedrag en opvattingen juist niet van anderen af te wijken. Vooral leden van minderheidsgroepen in een samenleving wordt dit voorgehouden. “U krijgt”, zo wordt steeds beweerd, “uw plaats in deze samenleving, als u er maar voor zorgt dat u zich aanpast en niet opvalt. Zorg dat u wordt zoals de meerheid. Het verschijnsel minderheid zal zich dan vanzelf oplossen.”

Dit is echter een drogredenering. De meest ideale samenleving is niet een samenleving waarin iedereen dezelfde godsdienst belijdt, uniforme gewoonten erop na houdt of gelijke opvattingen huldigt. Zo’n samenleving isoleert zichzelf, is gedoemd te verstillen en uiteindelijk niet te overleven. Een samenleving functioneert namelijk op dezelfde wijze als een organisme dat voedsel nodig heeft om te kunnen overleven. Voedsel geeft nieuwe energie en groeikracht. Los daarvan is het ook irreëel te veronderstellen dat het ooit mogelijk zou zijn een situatie te bereiken waarin iedereen in gedachten, woord en daad een kopie is van ieder ander in de samenleving. Mensen verschillen nu eenmaal van elkaar. Dat is niet weg te poetsen; zeker niet als het gaat om eigenheden waarvoor een individu niet zelf kan kiezen. Denk maar aan verschillen in sexe, gezondheid, etnische oorsprong, maatschappelijke afkomst, welstand van ouders, moedertaal en opvoeding. Het is volstrekt onmogelijk van die eigenheden afstand te doen. In dat opzicht zullen mensen dus nooit aan elkaar gelijk kunnen worden, ook zouden ze dat zelf willen.

Daarnaast bestaan er verschillen tussen mensen, die weliswaar niet absoluut onveranderbaar zijn, maar die anderzijds wel sterkt verknoopt zijn met de zo juist genoemde absoluut onveranderbare en onoverdraagbare eigenheden van elk individu. Het gaat hier met name om verschillen in taal, cultuur en godsdienst of levensovertuiging. Hiervoor geldt dat iedereen in beginsel (als hij daar de gelegenheid voor krijgt) een andere taal zou kunnen leren, zich zou kunnen vereenzelvigen met een andere cultuur en van geloof of levensovertuiging kan veranderen. Het is echter de vraag of van een individu mag worden verlangd onvrijwillig afstand van te doen van iets dat hij van jongs af aan en van huis uit heeft meegekregen. Niemand heeft zelf gekozen voor de moedertaal die hij spreekt, noch voor de cultuur waarbinnen hij is opgegroeid, noch voor het geloof of de levensovertuiging die hem via zijn opvoeding als het ware met de paplepel zijn ingegoten Vanuit die optiek bezien maken taal, cultuur, godsdienst en levensovertuiging – evenzeer als sexe, gezondheid, huidskleur, e.d. – deel uit van de identiteit van een persoon. Ze maken iemand tot wat hij is. Van die identiteit kan een individu alleen tegen een zeer hoge prijs afstand doen. Vooral als het gaat om cultuur en godsdienst of levensbeschouwing is die prijs dikwijls verloochening van de eigen afkomst en niet zelden vervreemding van de eigen achterban. Bij verandering van taal speelt dit minder omdat de nieuwe taal niet in de plaats kan treden van de moedertaal. Iemand die een nieuwe taal leert, verleert daarmee in beginsel niet zijn moedertaal. Dat zal alleen het geval kunnen zijn als de tweede taal op zeer jeugdige leeftijd wordt aangeleerd. Iemand die een andere cultuur aanneemt of van godsdienst of levensovertuiging verandert wisselt echter het oude in voor iets nieuws. Om die reden mag de meerderheid binnen een samenleving wellicht nog wel van een minderheid vragen om zich ook de meerderheidstaal eigen te maken, maar diezelfde meerderheid mag een minderheid niet verplichten de eigen minderheidscultuur of de eigen minderheidsgodsdienst te verruilen voor de cultuur van de meerderheid, voor godsdienst die door de meerderheid beleden wordt of voor de heersende levensovertuiging.

Het recht op anders-zijn moet daartegen waken.


Samenlevingen waarin het recht op anders-zijn wordt gerespecteerd streven niet naar homogeniteit, althans niet naar homogeniteit in cultuur en godsdienst of levensovertuiging. Zij streven naar diversiteit in de wetenschap dat alleen burgers die zich zelf kunnen zijn de beste bijdrage aan de opbouw en instandhouding van de samenleving zullen leveren. Deze visie staat ook verwoord in de reeds genoemde Universele verklaring van de rechten van de mens. In het allereerste artikel staat: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.” In artikel 26, dat gaat over het recht op onderewijs, wordt als een van de kernopdrachten van het onderwijs aangewezen: “Het onderwijs zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen ...”

Een betere fundering van het idee van wereldburgerschap en van het geven van onderwijs vanuit die gedaschte is er niet.


Zeist, 19-3-2007

 
  Beoordeel artikel Reageer op artikel